KenniscentrumHandchirurgie › Carpale Tunnel Syndroom › Carpale-tunnel-syndroom (CTS)
Patiëntenfolders

Carpale-tunnel-syndroom (CTS)


Bij het carpaal tunnel syndroom (CTS) wordt de middelste handzenuw in de pols bekneld door zwelling van het bindweefsel in de pols. De handzenuw loopt vanuit de arm door een tunnel die wordt gevormd door een botkanaal en de dwarse polsband, de carpale tunnel, naar de vingers in de hand. Als het bindweefsel in de tunnel opzwelt raakt de zenuw bekneld.

Oorzaken van zwelling in carpale tunnel

De carpale tunnel, waar de beknelde zenuw doorheen loopt is vernauwd door het zwellen van het bindweefsel. Dit kan ontstaan door:
  • Schildklierproblemen;
  • Overgewicht;
  • Reuma;
  • Diabetes mellitus (suikerziekte);
  • Een botbreuk;
  • Zware handenarbeid;
  • Hormonen, bijvoorbeeld tijdens zwangerschap of in de overgang;
In de meeste gevallen is er geen duidelijke oorzaak vast te stellen. CTS die in de zwangerschap is ontstaan kan soms spontaan overgaan na de zwangerschap.

Klachten bij CTS

Een beknelde handzenuw geeft mogelijk de volgende klachten:
  • Een prikkelend pijnlijk gevoel in de vingers, tintelingen in de vingertoppen met uitzondering van de pink;
  • Pijn in de pols die kan uitstralen naar onderarm, elleboog en schouder;
  • Minder kracht in de hand, soms een stijf en gezwollen gevoel in de hand;
  • Minder gevoel in de vingertoppen;

De meeste patiënten met CTS geven aan dat de pijn ’s nachts erger is dan gedurende de dag. CTS komt ongeveer vijf keer vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. De gemiddelde leeftijd van de patiënt ligt tussen de 40 en 60 jaar.
Hoewel de klachten meestal aan één hand beginnen, krijgt een groot deel van de mensen uiteindelijk last van beide handen.

Diagnose

Een arts kan op basis van de klachten en lichamelijk onderzoek de diagnose stellen. Een spieronderzoek als een elektromyografisch onderzoek (EMG) of een echografie kan aanvullende informatie geven voor de arts. Over het algemeen zal de diagnose gesteld worden door een neuroloog, die is specialist op het gebied van zenuwproblemen. Bovendien kan een neuroloog andere oorzaken uitsluiten.
De neuroloog bespreekt, na het stellen van de diagnose, welke behandeling het beste is voor de patiënt, of dat het beter is om af te wachten hoe de klachten zich ontwikkelen en of er spontaan herstel optreedt.

Behandelingen

Er zijn verschillende mogelijkheden om Carpale-tunnel-syndroom te behandelen.
  • Spalk
  • Injecties met corticosteroïden en een lokaal verdovend medicijn
  • Operatie

Spalk

Als een patiënt met name klachten heeft die ’s nachts optreden, is het dragen van een spalk, een mogelijke oplossing. Met een spalk krijgt de pols rust. De plastisch chirurgen zullen u van een rustspalk voorzien. Zo nodig wordt deze door de gipsmeester in het ziekenhuis speciaal op maat gemaakt.

Injectie

Een injectie met corticosteroïden kan helpen tegen de pijn. De neuroloog kan een injectie geven met een middel dat  bestaat uit een combinatie van lidocaïne (verdovend middel) en corticosteroïden (ontstekingsremmer). Dit middel vermindert de zwelling in de pols waardoor de zenuwbeknelling en dus ook de pijn afneemt. Verbetering van de klachten treedt meestal pas na een paar dagen op.
Het effect is vaak maar tijdelijk, klachten kunnen na een paar maanden tot een jaar weer terugkomen. Soms is een tweede injectie nodig.

Operatie

Bij ernstige klachten en bij beperkingen in het dagelijks functioneren, gaat de voorkeur uit naar een operatieve behandeling van het CTS. Hebt u aan beide handen CTS, dan worden deze nooit gelijktijdig geopereerd.
De plastisch chirurg gebruikt tijdens de operatie een loupebril om alles goed te kunnen zien.
Bij de operatie heft de plastisch chirurg de beknelling van de zenuw op. Hij maakt een snee in de handpalm en snijdt de dwarse polsband (de bovenkant van de carpale tunnel) door. Hierdoor ontstaat er meer ruimte voor de beknelde zenuw zodat deze kan herstellen.
De operatie wordt uitgevoerd onder plaatselijke verdoving op de Poliklinische operatiekamer. U kunt ook kiezen voor een verdoving van de hele arm (blokverdoving) of narcose. Bij blokverdoving en narcose is de operatie op de operatiekamer.

Na de operatie

Na een operatie moet men rekening houden met een herstel van ongeveer 6 weken. Er komen hechtingen in de hand die na twee weken worden verwijderd. Totdat de wonden zijn genezen wordt kracht zetten met deze hand afgeraden. De handpalm kan nog enkele maanden gevoelig blijven, maar dit moet vanzelf minder worden. De meeste mensen zijn uiteindelijk klachtenvrij na deze ingreep.

Risico’s van de operatie

Er zijn zelden complicaties bij deze operatie. Mogelijke risico’s zijn:
  • infectie
  • nabloeding
  • littekenpijn
Deze problemen zijn goed te behandelen.
Soms kan er een nieuwe beknelling ontstaan door overmatige littekenvorming. 
In zeldzame gevallen raakt een zenuwtakje beschadigd dat naar de spieren van de muis van de hand loopt. Dit zal in dezelfde operatie moeten worden gehecht.
Net als bij andere operaties aan de hand kan er posttraumatische dystrofie optreden. Dit komt echter zelden voor. De hand zwelt dan op, doet vooral bij bewegen pijn en kleurt rood of blauw. Waarschuw uw arts bij deze klachten.
In zeldzame gevallen blijkt de operatie niet (voldoende) te helpen en is opnieuw een operatie nodig.

Filmpje




Deel deze pagina: